Verbannen, maar gezegend met Gods Woord en Geest

Van 28 augustus tot 3 september lezen we Mital, ‘Dauw’. Dat is aflevering nr. 26 van ons driejarig bijbelleesrooster.
De Bijbelgedeelten van deze week laten zien dat God van plan is om de mensen in ballingschap te zegenen. Dat was ook al aan Izak geopenbaard in Genesis 26:3. Maar hoe zit dat eigenlijk? Kan Hij ons niet beter zegenen door bij ons te blijven? Waarom moeten we van God verbannen zijn?

Abraham was dan nog wel gezegend met de volledige zegen (Gen. 14-21), maar zijn zonen zullen het met minder moeten doen. Wij zijn dan geneigd om naar het negatieve  te kijken (de zegen die we ontlopen), maar God kijkt daar anders naar. Vanuit Zijn oneindige liefde ziet Hij een kans om ons in ballingschap te zegenen!

God zegent Jakob met ‘hemelse dauw’, een beeld van Gods Geest. God zegent ook ons met Zijn Geest, ook al voelen we ons in ons leven soms ver van Hem  verwijderd. Willen wijZijn zegen ontvangen? Of negeren we de ‘dauw’ omdat we per se de ‘regen’ willen hebben?

verbannen
Verbannen uit het beloofde land

We lezen:

• Mozes: Genesis 27:28-28:9
• Psalm: Psalm 22:23-32
• Koning: 2 Samuël 15:23-16:14
• Profeet: Hosea 14:6-Joël 1:9
• Evangelie: Johannes 12:1-19
• Apostel: 1 Korinthe 4:1-20

Het verbindende thema is: De zegen van de Hemelse dauw is Gods Woord en Geest onder ons. Maar die gaat niet altijd op voorspelbare wegen!

Verbannen van God, maar leven mét Hem in ballingschap

Mensen in de vroegste tijden leefden heel dicht bij God. Zij hadden geen Bijbel nodig, maar zagen God en werden door Hem onderwezen door de schepping. In die tijd beloofde God Zijn zegen te blijven geven, voor altijd, ook als mensen niet meer zo dicht bij God wonen als Adam, Henoch en Melchizedek die geen Bijbel nodig hadden.

Als we denken dat we door Jezus totaal met God verzoend zijn, dan hebben we het mis. Jezus is wel geopenbaard aan ons christenen, net als in Johannes 12 aan Jeruzalem, maar dat betekent niet dat we Gods Koninkrijk al kunnen uitroepen! Daarom huilde Jezus op zijn ezel, terwijl het Joodse volk het uitriep “Hosanna, Koning van Israël!” (vs. 13). Zij begrepen niet dat die tijd nog niet gekomen was. Pas veel later begrepen de discipelen dat ze van hem zouden worden verbannen, maar Maria had het al eerder begrepen. Zij huilde mét hem, (en met de profeet Joël, en later Paulus) omdat zij wist dat voor Jezus getrouwe volgelingen een tijd van verbannen zijn zou aanbreken.

Zoals Jakob (in Genesis) en heel Israël (in Hosea) met de dauw wordt gezegend, zo zegende Jezus ons bij Zijn heengaan met Gods Geest voor altijd. Die Geest openbaart Zich dan ook (1 Kor. 4:20) maar tegelijkertijd zitten wij vast in ons dagelijks lijden en sterven (vs. 9-13). Hoe kan dat toch ooit samengaan? Als Gods Geest ergens aanwezig is, dan geneest Hij toch, en dan doet Hij de vijanden van het Evangelie toch in het stof bijten?

We zullen het met ‘de dauw’ moeten doen

De realiteit van het leven in ballingschap is iets wat wij moeilijk vinden om te zien. Wij willen liever ‘Rijk zijn met God’, ‘verzadigt zijn van Zijn liefde’ (1 Kor. 4:8). En dat is ook logisch, elk mens verlangt daarnaar. Maar het feit is dat we in ballingschap leven, zolang Jezus niet weerkomt om de schepping te herstellen. Jezus zál Gods Majesteit uit de Hemel laten neerdalen op de berg Tsion, maar zolang Hij er niet is, zullen we het met de dauw van Gods Geest moeten doen. Niet de vroege regen (die Paulus kende, toen Gods Geest Zich in kracht openbaarde door tekenen en wonderen) en niet de late regen (die spoedig komen gaat), maar de dauw.

Willen we dat wel? Is de dauw genoeg voor ons? Of hebben we liever een of andere misleiding waarin ‘God wél dicht bij ons is’ (naar zeggen)?
Wat herken je van het huilen van de profeet Joël en de apostel Paulus?
Wat betekent het voor jou om de zegen van de Hemelse dauw te krijgen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *